Wetenschappers vrezen dat een aantal boomsoorten niet in staat is om de snelle klimaatveranderingen in hun leefomgeving te volgen. Bovendien bemoeilijkt de ruimtelijke versnippering in Vlaanderen de genetische uitwisseling tussen bossen en boompopulaties via zaden en pollen. Menselijk ingrijpen is dan noodzakelijk om de verspreiding van meer droogtebestendige populaties of soorten te versnellen. An Vanden Broeck is gespecialiseerd in populatiegenetica, genbehoud en vitale boompopulaties. Zij coördineert samen met Margot Vanhellemont het Programma Bos bij het INBO en licht toe hoe dat in zijn werk gaat. ‘De begeleide of geassisteerde migratie gebeurt op meerdere manieren. Men kan van een soort die in Vlaanderen al aanwezig is, populaties uit zuidelijkere regio’s introduceren. Dan spreken we over migratie binnen het huidige verspreidingsgebied. In tweede instantie kan men soorten introduceren die hier van nature nog niet voorkomen maar bijvoorbeeld wel al in Wallonië of Noord-Frankrijk groeien. Het gaat dan om een uitbreiding van het huidige verspreidingsgebied. Tot slot is er migratie van soorten die hier van nature niet thuishoren maar wel elders in Europa voorkomen. We kijken dan voornamelijk naar soorten die zeer goed warmte- en droogteresistent zijn.’
MigFoRest, een Europees proefproject
Er lopen heel wat onderzoeksprojecten om na te gaan welke soorten in onze streken de beste groeikansen hebben in een toekomstig klimaat. Het INBO is betrokken bij het Europese Interreg-project MigFoRest dat van 2024 tot 2028 in België, Frankrijk en Duitsland zeven pilootgebieden onder de loep neemt. Annelore De Ro (INBO) werkt rond genenbronnen bij bomen en struiken en onderzoekt in haar doctoraat hoe bomen zich aanpassen aan klimaatverandering. ‘De klimaatverandering is onvoorspelbaar’ zegt zij. ‘Men gaat ervan uit dat het droger en warmer zal worden maar als de golfstroom zou veranderen, wordt het misschien net kouder? Er is dus heel veel onzekerheid. De strategie die we bij MigFoRest vooropstellen is het spreiden van de risico’s. Niet door soorten ineens te vervangen door andere maar door ervoor te zorgen dat onze inheemse populaties sterker worden door de genetische variatie te vergroten. Door nieuwe herkomsten van bomen die reeds aanwezig zijn in onze bossen te brengen, maken we ze weerbaarder zonder radicale veranderingen. Door de risico’s te spreiden, onderzoeken we welke soorten het meeste slaagkans hebben. Dus kijken we aan de hand van modellen welke Europese regio’s het voorspelde toekomstige klimaat voor Vlaanderen hebben om zo herkomsten te selecteren die geschikt zijn om in onze bossen aan te planten. Verder bekijken we welke ecosystemen er momenteel in die regio’s voorkomen. Die vergelijken we met de soorten die bij ons samen voorkomen. In onze bossen staat vaak de zomereik (Quercus robur). Die gaan we mengen met de donzige eik (Quercus pubescens) die meer resistent is tegen droogte maar bij ons nog niet voorkomt. Deze eikensoort is zeer verwant en we verwachten geen negatieve impact op de biodiversiteit. We letten dus niet enkel op de soort maar ook op het ecologisch potentieel: de interacties met insecten, vogels, andere plantensoorten, het microklimaat en nutriënten in de bodem. Zo trachten we te beslissen welke soorten hier nuttig kunnen zijn voor inmenging in onze bossen. We willen niet dezelfde fout maken als met de Amerikaanse eik (Quercus rubra), die louter om economische redenen werd aangeplant, hier invasief is geworden en een negatieve impact op het ecosysteem heeft.’
‘Sommige soorten zoals de hemelboom (Ailanthus altissima) zijn dan weer niet invasief in bossen maar wel in tuinen en steden’, vult An Vanden Broeck aan. ‘Van enkele boomsoorten was tot voor kort niet geweten dat ze in onze regio niet gewenst zijn. Een risicoanalyse beoordeelt niet enkel naar de invasiviteit van de plant zelf maar ook mogelijke gezondheidsrisico’s. De hartbladige els (Alnus cordata) is weliswaar goed bestand tegen hitte en lange droogteperiodes maar blijkt kwalijk te zijn voor mensen met allergieën’. In soortenarme bossen, zoals de dennenbestanden in de Kempen, is niet enkel de soortendiversiteit maar ook het gebrek aan genetische variatie een probleem. ‘Dergelijke monoculturen zijn risicogevoelig’, weet An Vanden Broeck. ‘Wanneer de letterzetter (een hout-etende parasitaire kever, red.) hier toeslaat, kunnen volledige bossen verdwijnen. Ook brandgevaar is een reëel risico. Door loofboomsoorten in te brengen, houden bossen meer vocht vast en worden ze weerbaarder.’
In het kader van MigFoRest monitort het INBO aanplantingen van diverse herkomsten op een demosite in de Tenhaagdoornheide (Houthalen-Helchteren). De resultaten worden gedeeld met de overige partners in het Europese project en met boomkwekerijen. Tijdens studiereizen naar Bulgarije, de Provence en andere zuidelijke regio’s wordt kennis uitgewisseld met lokale actoren. Al deze informatie komt in fiches die ter beschikking worden gesteld aan bosbeheerders en boomkwekers.
Bosbeheer
Terwijl bosbeheer in het verleden vooral vanuit economische overwegingen gebeurde, gaat vandaag veel meer aandacht naar het belang van microklimaat zodat soorten zich kunnen aanpassen aan veranderingen. De onderzoekers volgen de verjonging in bossen nauwgezet op en krijgen zo zicht op welke zaailingen zich het best aan de veranderende omstandigheden aanpassen. ‘Dat zijn de beste kanshebbers om verder uit te groeien’, zegt An Vanden Broeck. ‘Daarnaast kijken we naar de aanwezige karakteristieken van het bos en het landschap om dezelfde soorten aan te planten maar dan met een andere, meer zuidelijke of continentale herkomst. Die zijn meer droogteresistent en kunnen hun genen uitwisselen met het aanwezige bomenbestand. De mix van lokale en resistente genen moet voor een weerbaar bos zorgen. Het gaat dus om méér dan louter aanplanten van bomen, we moeten de evolutie zijn werk laten doen.’ Intussen lopen diverse initiatieven om de autochtone genenbanken in stand te houden. De in Vlaanderen bijna uitgestorven ‘oerhulst’ (Ilex acquifolium) wordt gestekt om zijn genen te behouden en in Oost-Vlaanderen doet men hetzelfde door erfgoedbomen te enten. Staat dat niet haaks op het inmengen van genetisch materiaal uit andere populaties? ‘Ook in een natuurlijke situatie is er altijd een menging van genen geweest. Pollen kunnen over lange afstanden door de lucht vliegen’, weerlegt An Vanden Broeck. ‘Net om onze lokale populaties te kunnen behouden, is het belangrijk dat ze kunnen evolueren en dat de genetische diversiteit groot genoeg blijft. Aanpassing is een dynamisch proces waarin planten mee-evolueren met een veranderende omgeving, klimaat, pathogenen, luchtvervuiling en zoveel andere factoren. Door de status quo te behouden, mis je die kans op aanpassing en riskeer je achteruitgang.’
Steden als living lab
Bomen in een stedelijke omgeving worden reeds vandaag vaker aan extreme omstandigheden blootgesteld dan in boscontext. Ze ervaren extra stress door verharding, compactere bodem, beperkte wortelruimte en minder waterbeschikbaarheid. ‘Er is een groot verschil tussen de groeicontext voor bomen in natuurlijke gebieden en stedelijke gebieden’, beaamt Karen De Pauw. Zij werkt als postdoctoraal onderzoeker bij FORNALAB, het Forest Nature Lab van de Universiteit Gent, en verdiept zich in hitte- en droogtestress bij stadsbomen. ‘Ongeveer de helft van de huidige stedelijke boomsoorten zit al buiten hun klimaatsniche, en voor neerslag is dat zo’n 65 procent. Steden zijn in dat opzicht living labs. De ervaringen die we hier opdoen, zijn een voorafspiegeling van wat in meer natuurlijke omgevingen te gebeuren staat. Omgekeerd zijn de opgedane ervaringen met geassisteerde migratie in natuurgebieden relevant om in stadsparken toe te passen.’
Nood aan monitoring
De hittegolven, zoals we die afgelopen zomer meemaakten, worden in steden nog versterkt door het hitte-eilandeffect. Stadsbomen worden aan extra hitte- en droogtestress blootgesteld. ‘We onderschatten soms wat bomen aankunnen. De plataan bijvoorbeeld, wordt over de hele wereld met succes aangeplant, tot ver buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied, en weet zich prima aan te passen,’ zegt Karen De Pauw ‘Maar het huidige bomenbestand in onze steden is doorgaans onvoldoende voorbereid op de voorspelde temperaturen in pakweg 2060 of 2100.’ Een stedelijk bomenbestand omvormen, vergt tijd. De bomen die we vandaag aanplanten, moeten bestand zijn tegen het klimaat van over 30 tot 40 jaar. Hoe maken we de juiste keuzes? Karen De Pauw: ‘De Klimaatbomentool Vlaanderen bevat veel typische stadsboomsoorten en is een goede informatiebron voor groenbeheerders, ook al is die op zich niet ontwikkeld voor een stedelijke context. Maar bovenal zijn monitoring en opvolging van groot belang. Waar is er veel uitval bij nieuwe soorten? Wat zijn de groeiplaatsomstandigheden? In sommige steden ontbreekt die informatie terwijl die data essentieel zijn om toekomstgerichte keuzes te maken. Er is nood aan experiment om te bepalen welke soorten geschikt zijn en welke niet.’
Risicospreiding is essentieel
Net als in natuurgebieden is risicospreiding bij stadsbomen belangrijk. ‘Hogere temperaturen kunnen plaagsoorten activeren waar we momenteel nog geen last van hebben,’ waarschuwt Karen De Pauw. ‘Wanneer hele straten of wijken aangeplant worden met eenzelfde soort, kan dat een groot probleem worden. Hetzelfde geldt voor kwetsbaarheid voor droogte of hitte. Daar zou meer aandacht voor moeten zijn. Veel steden hebben nog steeds een erg ongelijke soortverdeling, met enkele soorten die in het verleden in grote aantallen zijn aangeplant. In Brussel bijvoorbeeld, bestaat een kwart van de straatbomen langs grote wegen uit platanen.’ Of de 10-20-30 regel van Santamour hiervoor een uitkomst kan bieden? Volgens die richtlijn worden maximaal 30 procent bomen van dezelfde familie aangeplant, maximaal 20 procent van hetzelfde geslacht en maximaal 10 procent van dezelfde soort. Karen De Pauw: ‘Door hiermee rekening te houden bij nieuwe aanplantingen, creëer je in steden een diverse boompopulatie en spreid je de risico’s. Een gezonde mix van soorten verhoogt bovendien de overlevingskansen voor het geheel van bomen in de stad. Hoe ouder een boom kan worden, hoe meer ecosysteemdiensten die kan leveren; niet alleen door zijn langere levensduur maar ook omdat een grotere boom méér diensten levert. De tijdshorizon voor nieuwe aanplanting moet dus evenredig zijn met de vooropgestelde ouderdom. Voorzien we op een plein een grote centrale boom die honderd jaar oud zou moeten kunnen worden? Dan moeten we ook in klimaattermen honderd jaar vooruit denken.’
De keerzijde van de medaille is dat een gevarieerde aanplant met nieuwe soorten ook vragen oproept over invasiviteit. Karen De Pauw benadrukt dat deze risico’s zeker mee in rekening moeten worden gebracht. ‘Klimaatverandering kan ook vestigingsomstandigheden van jonge zaailingen veranderen. Mildere wintertemperaturen in steden en minder strenge vorst kunnen voor sommige soorten het verschil maken, waardoor ze zich nu en in de toekomst in onze streken wel succesvol kunnen voortplanten of vestigen, waar dat vroeger niet het geval was. Dat is iets om goed in de gaten te houden. Paulownia is een boomsoort, waarbij dit mogelijks het geval is en waarvan in steden nu steeds vaker zaailingen gemeld worden. Algemeen wordt het risico op invasief gedrag ingeschat door te kijken naar typische ecologische eigenschappen die snelle verspreiding en vestiging in de hand werken. Bijvoorbeeld dispersie van grote aantallen zaden via windverspreiding. Ook ecologische plasticiteit speelt een rol: sommige soorten doen het heel goed in sterk uiteenlopende omstandigheden, milieus of bodems en hebben meer kans om zich op vele plaatsen te vestigen. De hemelboom, valse acacia en Amerikaanse eik werden initieel als sierboom of omwille van de houtproductie aangeplant en zijn intussen probleemsoorten.’
Groeiplaatsconstructies documenteren
De voorwaarden voor een optimale groeiplaats zijn gekend: voldoende onverharde wortelruimte en een substraat dat voldoende kan draineren maar ook water laat infiltreren. ‘Men experimenteert met technische oplossingen, zoals infiltratiekratten of ondergrondse waterreservoirs die vaak duur zijn maar er ontbreekt momenteel voldoende wetenschappelijk onderzoek naar de langetermijnresultaten. Dat maakt het moeilijk om keuzes te maken’, zegt Karen De Pauw. ‘De meeste systemen zijn vrij recent, terwijl bomen pas over 10 tot 15 jaar na aanplanting een volwassen leeftijd bereiken en het effect op zowel de jonge als volwassen boom bekeken kan worden. Het zou zinvol zijn om de ervaringen van producenten en groenaannemers te toetsen aan wetenschappelijk onderzoek. Goed documenteren welk systeem er op welke plek in de grond zit, kan een eerste stap zijn. Daar kunnen gemeentelijke groendiensten en groenaannemers een rol in opnemen.’ Volgens Karen De Pauw zit de grootste winst in het proces vóór de aanplant: het optimaliseren van de standplaats met het oog op een lange levensduur, en het afstemmen van de soortenkeuze op de locatie zijn cruciaal. ‘Stedelijke hitte-eilanden zorgen voor hogere temperaturen in de stad, maar ook daarin zit enorme variatie. Een verhard open plein in een stadscentrum kan verschillende graden warmer zijn dan een beschaduwde straat langs een groot park, ook al ligt die dichtbij het stadscentrum. Sterk gelinkt met deze verschillen in microklimaat is het aantal zonuren. Bomen vermijden de opwarming van hun blaadjes door water te verdampen, schaduw door hoge gebouwen of andere bomen kan de opwarming van bladeren en de nodige hoeveelheid water om zijn bladeren te koelen dus drukken. Inzicht in het aantal zon- en schaduwuren op een specifieke standplaats kan dus mee bepalend zijn voor de soortenkeuze.’
Het wetenschappelijk onderzoek naar klimaatbestendige boomsoorten in onze streken is nog jong en het is nog te vroeg om definitieve uitspraken te doen. Maar zowel voor natuurbeheerders als voor stedelijke groenbeheerders is er werk aan de winkel. De uitdaging zit zowel in het optimaal beschermen van het huidige bomenbestand als in het langetermijndenken zodat de bomen die we vandaag aanplanten tijdens de volgende decennia optimaal kunnen uitgroeien en hun rol kunnen opnemen in een weerbare omgeving.
Meer info:
Risico-analyse invasiviteit uitheemse soorten: https://edepot.wur.nl/688751
Risico-analyses van kandidaat boomsoorten (INBO studiedag): https://www.vlaanderen.be/inbo/media/2921/bram.pdf
Eindrapport Klimaatbomen: https://ecopedia.s3.eu-central-1.amazonaws.com/2024-08/Boomsoorten%20en%20herkomsten%20voor%20Vlaanderen%20ikv%20klimaatverandering%202024%20-%20update%20augustus.pdf
Verbreding van de definitie van inheemse boomsoorten: https://purews.inbo.be/ws/portalfiles/portal/134189252/Vanhellemont_etal_2025_InheemseBoomsoorten.pdf
Foto's: Interreg – MigFoRest, INBO, Jean-Paul Grandmont, heritage.brussels, Dimìtar Nàydenov
FAQ: veelgestelde vragen over klimaatbestendige boomsoorten & begeleide migratie
- Waarom is soortenkeuze zo belangrijk in een veranderend klimaat?
Veel boomsoorten kunnen de snelheid van klimaatverandering niet volgen. In het artikel staat: “Het klimaat verandert sneller dan bomen kunnen groeien.” Droogte, hitte en ruimtelijke versnippering maken dat sommige soorten het moeilijk krijgen, terwijl andere beter aangepast zijn. Een toekomstgerichte soortenkeuze verhoogt de weerbaarheid van bossen en stadsbomen. - Wat betekent ‘begeleide migratie’ van boomsoorten?
Begeleide migratie is het bewust introduceren van boompopulaties uit andere regio’s om onze bossen en steden beter bestand te maken tegen toekomstige klimaatomstandigheden. Zoals An Vanden Broeck zegt: “Men kan van een soort die in Vlaanderen al aanwezig is, populaties uit zuidelijkere regio’s introduceren.” Dit kan gaan van herkomsten binnen Europa tot nieuwe soorten die beter tegen droogte kunnen. - Wat onderzoekt het Europese project MigFoRest?
MigFoRest test welke boomsoorten en herkomsten het best presteren in het klimaat van de komende decennia. “De strategie die we bij MigFoRest vooropstellen is het spreiden van de risico’s.” Door verschillende herkomsten te mengen, vergroten onderzoekers de genetische variatie en dus de veerkracht van bossen. - Waarom is monitoring van stadsbomen zo cruciaal?
Stadsbomen staan al buiten hun natuurlijke klimaatsniche. Karen De Pauw zegt: “Ongeveer de helft van de huidige stedelijke boomsoorten zit al buiten hun klimaatsniche.” Monitoring van uitval, groeiplaatsomstandigheden en microklimaat is essentieel om te bepalen welke soorten geschikt zijn voor het stedelijk klimaat van 2060–2100. - Hoe vermijden we risico’s zoals invasiviteit of monoculturen?
Nieuwe soorten kunnen potentieel invasief worden, zoals Paulownia of hemelboom. “Mildere wintertemperaturen kunnen voor sommige soorten het verschil maken, waardoor ze zich nu wel succesvol kunnen vestigen.” Daarnaast verhoogt een te eenzijdige soortenmix de kwetsbaarheid voor plagen en droogte. Risicospreiding via de 10‑20‑30‑regel helpt om een robuust bomenbestand op te bouwen.